Voor Gijs
27 december 2008

Een klein mannetje met een enorm grote mond. Zoals ze in Leiden wel meer gemaakt worden. Naast een grote mond had Gijs ook een enorm Swift-hart. Hij woonde 's zomers zelfs in een caravan naast het Swift-clubhuis op "De Bult", de oude Leidse vuilnisbelt die tegenwoordig dienst doet als recreatiegebied en wielerparcours voor Swift.
Via mijn vader kende ik Gijs al een beetje, maar ik heb hem pas echt leren kennen kort voor ik bij Swift ging wielrennen. Hij vroeg me eens wat ik dan wel wilde worden, als ik eenmaal mijn gymnasiumdiploma op zak zou hebben. Ik had geen flauw idee toentertijd. Net op dat moment flitste het peloton langs mij heen, tijdens één van de trainingswedstrijden op het clubparcours. "Profwielrenner" zei ik in een opwelling, met in mijn achterhoofd de heroïsche gevechten die ik wel eens op de flanken van Alpencols op tv had gezien tijdens de Tour de France. Dat leek me wel wat, dergelijk heldendom. Gijs begon te lachen en zei me dat ik dan maar gauw eens moest beginnen met wielrennen.
Zo gezegd zo gedaan. Mijn eerste wedstrijdjes op de Bult waren crosswedstrijden op mijn mountainbike. Modder tot aan de naven, de daver op het lijf. Iedere week werd ik laatste, maar mooi was het wel. En een goede vuurdoop. Na afloop nog even luisteren naar de verhalen van Gijs, vaak over zijn zoon John F. Langzaam maar zeker maakte ik kennis met de wielerwereld. Gijs speelde een belangrijke rol in deze kennismaking.
Hij kon ook vrij ongenuanceerd zijn. In de zomer, bij de dinsdagavondcompetitie, reed ik eens lek. En geen reservebandje meegenomen van huis. Gelukkig was mijn moeder zo lief er één te komen brengen. Gijs keek hier wat van op. "Als hij naar de hoeren gaat laat je hem toch ook niet zonder rubbertje van huis vertrekken?" Heb je net 5km gefietst om je minderjarige zoon een binnenbandje te brengen, krijg je zoiets naar je hoofd geslingerd.
Maar hij meende het goed. In de eerste jaren in het bestaan van Swabo stond voor de koude wintertrainingen de koffie altijd klaar. En na afloop van de koudste, zwaarste trainingen werden we op een lekkere bak soep getrakteerd.

Halverwege november kreeg ik plots te horen dat hij ons ontvallen was. Na een tijdje in het ziekenhuis gelegen te hebben was hij in zijn slaap gestorven. 66 jaar jong. Ik moest plots terugdenken aan de eerste etappe van Olympia's Tour, van en naar Wassenaar. Gijs stond langs de kant, natuurlijk te schreeuwen. Hij glom van trots, mij én Swabo zien rijden in de belangrijkste Nederlandse amateurwedstrijd. Mooi dat hij dat nog mee heeft mogen maken.
Op 2e kerstdag heb ik de Kerstcross gewonnen. Op de Bult, waar het allemaal begon. De overwinning heb ik aan Gijs opgedragen. Dat is wel het minste wat ik kon doen na alles wat hij voor mij heeft betekend. Die laatste eer heeft hij verdiend.

Gijs, rust in vrede.


Omgekeerd lineair verband
29 september 2008

Wielrennen was altijd een sport voor de armen. Een mogelijkheid voor boerenzoons en jongens uit arbeidersgezinnen, om, door middel van het winnen van premies, een betere toekomst voor zichzelf en hun nageslacht bijeen te fietsen. Op een oude stalen fiets startten deze renners in hun eerste koersen. Als ze over het juiste talent en doorzettingsvermogen bleken te bezitten lag een gouden toekomst voor ze in het verschiet.
Langzaam maar zeker begon tactiek een steeds belangrijkere rol te spelen. Het bordje van de ander eerst leegeten. Wie hier het meest in uitblonk had de grootste kans op een roemrijke wielercarrière, en dus op de bijkomstige voordelen van roem. Met telkens nieuwe generaties groeide het belang van leepheid, van gebruik maken van de ander, van zuinig met de krachten omspringen. Tactiek nam een steeds belangrijkere plaats in naast talent en doorzettingsvermogen.

De laatste 20 jaar is de ontwikkeling van frames en onderdelen in een stroomversnelling geraakt. Dit heeft de kwaliteit erg veel hoger gemaakt, maar veel meer nog de prijs. Effect hiervan is dat de wielersport niet langer voor de armen is. Steeds meer verwende jongetjes en meisjes lopen rond in het wielerpeloton. Talent zit er genoeg tussen, maar door hun doorgaans probleemloze jeugd is doorzettingsvermogen veelal ver te zoeken.
Maar het grootste manco is dikwijls een enorm gebrek aan tactisch inzicht. Er lijkt wel een omgekeerd lineair verband te zitten tussen intelligentie en koersinzicht. Een gegeven dat het NK Studenten afgelopen zaterdag op voorhand een bijzonder attractieve wedstrijd maakte.

Onder een strakblauwe hemel lag het Limburgse land rustig te wachten op wat komen ging. Het journaille stond klaar om enthousiaste de kolommen vol te schrijven over regens van aanvallen, spektakel, attractief koersverloop en verdiende winnaar. Tegelijkertijd waren de echte wielerkenners in grote getale afwezig bij het gruwelen van zoveel tactische onkunde.
En zo geschiedde! Kort na de start zag ik vanuit het peloton mijn goede vriend Ronald Meijer ten aanval trekken. Na een indrukwekkende solo van 2 ronden werd hij teruggepakt, om korte tijd later met een lekke band op een slecht moment gelost te worden. In mijn achterhoofd zei een stemmetje: “dat kun jij beter, Siebe!” Dus ook ik trok solo ten strijde. Dat er nog meer dan 15 ronden verreden moesten worden mocht de pret niet drukken. Ik zag de koppen al in de krant. “Siebe Breed degradeert studerend Nederland tot figuranten”, “Nieuwe Kannibaal opgestaan?” en “Geologiestudent Breed veroorzaakt met optreden NSK flinke aardschok.” Maar natuurlijk duurde ook mijn avontuur slechts 2 ronden, waarna weer een nieuwe student zijn kans schoon zag op weg naar eeuwige roem. Mijn rol was grotendeels uitgespeeld. Uiteindelijk behaalde ik een 32e plaats, maar ik had weer een wijze les geleerd. Het NSK was een mooi voorbeeld van het omgekeerde lineaire verband tussen intelligentie en koersinzicht. Paul van Schalen zei mij eens toen het gesprek kwam op een jonge, talentvolle, wielrenner en het feit dat die studeert: “Dan zal dat wel nooit een goede coureur worden.” Hij sloeg met deze uitspraak de spijker op zijn kop.


Afsteken
15 september 2008

Langs het parcours van klassiekers staan vaak vele toeschouwers. Hoewel, in feite valt het aantal vaak wel mee, maar staat een deel van de toeschouwers op verschillende plekken. Dit zijn mensen die van de wielerkoers een dagje uit maken. Ze proberen via binnendoor-weggetjes het peloton zo vaak mogelijk in te halen, om evenzovaak het peloton vanaf de kant van de weg te kunnen bekijken, zodat ze hun favoriet(en) aan kunnen moedigen. Dikwijls kom je dezelfde mensen tegen. Ze volgen een familielid of vriend, of hebben een andere reden om het peloton veelvuldig langs te willen zien komen, zoals Ottie, de wielerfotograaf van het noorden, met zijn ronde buik. Door zijn vriendelijke omgang met de renners en zijn herkenbare verschijning is Ottie inmiddels niet meer weg te denken bij de wielerwedstrijden.

Daarnaast zijn er steevast een aantal renners die afsteken. Renners die niet deelnemen aan de wedstrijd zelf om verschillende redenen. Het is niet voor hun categorie, ze zijn bezig met een rustperiode, of ze zijn simpelweg niet opgesteld. Om toch een beetje van de koers mee te krijgen en ondertussen nog wat te trainen ook steken ze per fiets af.
Zondag besloot ik dit ook eens te doen. Ik had zelf geen wedstrijd, het was lekker weer. Mijn oud-ploeggenoten van SwABo konden alle steun gebruiken, tijdens hun poging het finaleweekend van de clubcompetitie winnend af te sluiten.

Helaas voor mij was dit finaleweekend niet in de buurt. Daarom moest ik al om 7u mijn bed uit. Toen het startschot eenmaal geklonken had vertrokken Swabo-mechanieker Paul Munstege en ik voor onze zoektocht op weg naar zoveel mogelijk locaties om het peloton langs te zien komen. Gewapend met een kaartje waarop zowel het parcours, als andere wegen te vinden waren zochten wij zo goed en kwaad als het kon een weg door een voor ons onbekend stukje Nederland. De wind bleek niet zo zacht als wij gedacht hadden en samen harkten wij langs één van de vele Drentse kanalen het peloton tegemoet. Al bij onze eerste afsteekplaats gutste het zweet in straaltjes van mijn gezicht. Dit zou nog een lange dag worden.
We waren beide niet zo slim geweest om de bidons te vullen, dus al na de 3e afsteeklocatie hadden wij geen druppel water meer om onze schorgeschreeuwde kelen te smeren. Bij de 5e afsteeklocatie was er gelukkig een vriendelijke lokale bewoner die ons wel van wat water wilde voorzien. Dit duurde echter vrij lang, waardoor wij ons moesten haasten om op tijd bij de Drentse keien te zijn, voor het meest imposante deel van de koers. Met een snelheid van 45km/u baanden wij ons een weg tegen de wind in richting de vermaledijde stenenstrook in het bos. Eenmaal daar lapten wij de aanwijzingen van de politie aan onze laars en reden nog snel 100m tegen het parcours in om het peloton op de stenen in actie te kunnen zien in plaats van erna.
In een wolk van stof stormden de renners langs ons heen, achtervolgd door een horde ploegleiderswagens, welke veelvuldig de stenen raakten met hun onderkant.
Na zelf de stenen in tegengestelde richting afgeploeterd te hebben, op weg naar onze volgende stek, draaiden wij het bos uit. Paul en ik keken elkaar eens aan en schoten spontaan in de lach. De combinatie van zweet, na onze dollemansrit, en de voorbijtrekkende stofwolk hadden ons uiterlijk flink aangetast. We zagen eruit als een zeeman en zijn ketelbinkie, zwart van de vuiligheid. Dit was voor ons het teken om het de rest van de dag wat rustiger aan te pakken. Genietend van een bakkie en een zonnetje misten wij bijna de volgende passage van het peloton. Een bakkie waarbij ik besloot om voortaan maar weer gewoon te gaan koersen.
Dan hoef je niet constant de weg te zoeken, kun je af en toe lekker uit de wind gaan zitten, hoef je geen aanwijzingen van politie aan je laars te lappen en weet je dat de pijn in je benen je mogelijk een overwinning opleveren. Meedoen aan de koers is uiteindelijk een stuk zorgelozer dan hem proberen te volgen vanaf de kant!

Na afloop van de koers bleek SwABo 2e te zijn gebleven en had Erik van Lakerveld een mooie podiumplek verdiend. De renners zaten moe maar voldaan bij te komen van de voorbije inspanningen, alvorens zich op te gaan frissen. Paul en ik wisten hoe ze zich voelden, we zaten immers precies in hetzelfde schuitje.


Sprookje
10 september 2008

Er was eens een UCI Commissaris. Hij had een tamelijk dikke kont en zat ermee achterop een motor. Deze motor reed dit jurylid rond tijdens de koninginnenrit in de Vuelta a Tenerife. Een etappe die in het rondeboek al erg zwaar was, vrijwel geheel bergop, maar die doodleuk nog verlengd was met 25 loodzware kilometers. Een ware martelgang voor de heren coureurs.

De eerste 60km van de etappe liepen al grotendeels op, waren erg bochtig en bevatte vele korte aflopende stukjes. In dit deel van de etappe martelde Fuertaventura-Canarias, de ploeg van leider Antonio Olmo, het peloton met een hels tempo, waardoor zich een lang lint van renners vormde. Een lang lint dat wel steeds korter werd, omdat de deur van achteren flink open stond. Hierdoor was het peloton al flink uitgedund aan de voet van El Teide, de vulkaan die tot een hoogte van meer dan 2200m bedwongen moest worden. Verspreid over de flanken van de berg reden kleine groepjes renners rond.

Nu was het geval dat de jurycommissaris een heuse pennenlikker was. Een man die vond dat regels er niet waren om het leven gemakkelijker te maken, maar om strikt na te worden geleefd. Zo vond hij dat minder getalenteerde renners, renners met een mindere vorm, of wellicht voor een deel schonere renners, gewoon op eigen kracht deze rit af moesten leggen. Zo niet, dan zouden daar zware sancties op volgen. Nu ja, mits de commissaris het met eigen ogen waarnam. Renners die zich toevallig de halve rit voort lieten slepen door gemobiliseerde voertuigen zonder dat deze man het opmerkte hadden weinig te vrezen. Besloot je echter in een moment van zwakte even, op het verkeerde moment, gebruik te maken van de aangeboden hulp, dan werd je als renner zonder pardon door deze commissaris genoteerd. Waarna hij uiteraard niets zei over zijn besluit, maar gewoon hard op de motor doorreed op zoek naar nieuwe slachtoffers.

En dat betekende het vroegtijdige einde van mijn Vuelta a Tenerife. Toen ik na de 5 uur durende martelgang die me hoog op de vulkaan bracht, op de pijnbank (ook wel bekend als massagetafel) lag werd me doodleuk meegedeeld dat ik uit koers was. Minder dan 1km hulp van buitenaf werden mij fataal. Geen slotrit, geen opname in het eindklassement.

En de pennenlikker leefde nog lang en gelukkig, hij had toch maar fijn weer even de regels nageleefd, ten koste van het uitschot dat zichzelf wielrenner noemt.


Zomer
29 augustus 2008

De teller gaf 20km/u aan. Meer niet. Terwijl ik toch volle bak af zat te zien. Steeds hardnekkiger werd het stemmetje in mijn achterhoofd om de fiets aan de wilgen te hangen. Midden in het wielerseizoen, hoogzomer nota bene, met een dergelijke lachwekkende snelheid in de rondte fietsen. Dat geeft stof tot nadenken.
Goed de weg liep wat op, daar in de duinen, maar een maand geleden reed ik nog dubbel zo hard omhoog op een dubbel zo steile en veel langere klim in Spanje. Wat is er gebeurd in de tussentijd?

In mijn hoofd was ik al aan het plannen hoe ik mijn afscheid van deze mooie sport groots aan zou gaan kondigen. Net toen ik besloten had om een persconferentie te beleggen in de Kuip, op 11 september, de dag waarop ik in 2005 de Ronde van Feijenoord won, draaide ik de duinen weer uit. Plots reed ik bijna zonder te trappen 40km/h. Ik had nu wind mee en het bleek te stormen. Daar had ik geen rekening mee gehouden toen ik van huis vertrok. Het is toch immers zomer? Maar ja, zomer in Nederland zegt niet zoveel. Na 2 maanden in Spanje onder een hemel te hebben geleefd die telkens opnieuw met een nieuwe tint strakblauw voor de dag kwam is het even wennen. De Nederlandse hemel wordt geteisterd door een saai grijs wolkendek, waaruit als “bonus” regelmatig bakken water naar beneden komen. Alsof dat nog niet genoeg is gaat het nu bovendien stormen. Het lijkt wel herfst.

Terwijl ik in de spiegel kijk, na afloop van de training, schokt de bleekheid van mijn gezicht me. Het effect van 2 maanden stralende Spaanse zon is binnen een paar weken weer verdwenen. Mijn gezonde tint is verdwenen als sneeuw voor de zon. Het lijkt slechts een kwestie van tijd voor sneeuw écht een rol gaat spelen in de Hollandse zomer. Maar tegen die tijd zijn de duinen vermoedelijk al doorgebroken tijdens een zomerstorm. Vooralsnog geniet ik dus nog maar van dat stukje natuur net buiten de Randstad. Alle tijd om te genieten, ik ga immers maar 20km/h.


Vuelta a España
4 augustus 2008

Drie grote rondes is ieder wielerseizoen rijk. Inmiddels zijn de ronden van Italië en Frankrijk verleden tijd en rest de ronderenners nog slechts de Vuelta a España. Gedurende 3 weken zullen de renners afzien met op de achtergrond de prachtige vergezichten die het Spaanse land rijk is. Regen in het groene noorden, hitte in het dorre zuiden, waaijers op de windereige vlakten, die zelden zo vlak zijn als ons eigen vlakke land, maar vaak wel net zo winderig.

Je bent pas een echte renner als je in één van deze grote ronden de finish hebt bereikt. Althans, zo luidt een ongeschreven wielerwet.
Met trots kan ik U vertellen dat ik onlangs een échte wielrenner geworden ben. Ik heb namelijk de Vuelta Ciclista a España 2008 in mijn benen. Niet de versie voor professionals, wel de eerste versie voor amateurs. Weliswaar slechts 3 dagen, en in totaal slechts 399km, allemaal verreden binnen de provinciegrenzen van Cuenca, maar toch...

Alle gekheid op een stokje, hopelijk kom ik ooit nog eens daadwerkelijk toe aan het rijden van een grote ronde. Volgend jaar gaat er in ieder geval wel iets veranderen. Na 2 mooie jaren bij het B&E - Koopmans Cycling Team wordt het tijd voor een nieuwe stap in mijn wielercarrière. Gedaan met het harken op het kantje, gedaan met het uithalen van levensgevaarlijke capriolen om een plek in de eerste waaier te bemachtigen, gedaan met het eindeloos rondjes draaien op industrieterreinen en in dorpscentra, in de jacht op premies en leidersprijzen. Het wielrennen is veel breder dan de vormen die in Nederland tot kunst verheven zijn. De tijd is voor mij gekomen om mijn grenzen te verleggen, naar het meerdaagse werk en het koersen in heuvels en bergen. Op naar een nieuw avontuur, op naar Spanje.

Maar eerst dit seizoen maar eens afmaken. Nog 2 maanden. Er zijn nog grote prijzen te verdelen. De Vuelta a España zal ik niet meer winnen dit jaar, maar misschien wel één van de typische koersen van de lage landen, zoals ik ze de afgelopen 5 jaren veelvuldig gereden heb. Ik hou jullie op de hoogte!


Vijfentwintig
16 juli 2008

Of ik een vijfentwintig op mijn fiets had, vroeg de ploegleider van mijn tijdelijke Spaanse ploeg, Frio Julymar me. Ik fronste mijn wenkbrauwen. Spanjaarden rijden toch op belachelijke verzetten omhoog, klimmen tegen bergen op alsof het viaducten zijn, van de amateurs word zelfs gezegd dat ze momenteel harder omhoog fietsen dan de profs. Dat moet dan wel een verschrikking zijn, een berg waar een 25 bij nodig is.
Maar ik ben slechts een (naar Spaanse maatstaven) flink uit de kluiten gewassen renner van het vlakke land, ik bevestig aan mijn ploegleider dat ik inderdaad over een dergelijk lachwekkend verzet beschik. Half verwachtend dat hij me bij deze uit de ploeg verwijdert vanwege twijfel aan mijn geaardheid, krijg ik “Bueno” als antwoord.

Eenmaal in Avila vragen diverse renners mij opnieuw of ik dit trutverzetje op mijn fiets heb zitten. Met schaamrood op de kaken geef ik dit toe, maar in plaats van in lachen uit te barsten vertellen ze me blij dat dit een goede keus is. Bij diegenen die zelf geen 25 hebben bespeur ik enige jaloezie in hun stem.
El Mediano, de enige berg van 1e categorie in de Vuelta a Avila. Daar is het allemaal om te doen. In zo’n 4km meer dan 400 hoogtemeters overbruggen, met op het einde een steile strook van zo’n 20%. De cijfers vallen me mee, maar door alle verhalen boezemt de berg me toch wat schrik in. Na een maand zonder koersen, met weinig trainingskilometers was ik stiekem toch wel blij met mijn 25.

Bij deze zijn Spaanse klimmers flink gezakt in aanzien bij mij. Ik heb de 25 zeker gebruikt, maar noodzakelijk was het zeker niet. Mont Bouquet, Xorret de Cati, Passo Fittanze della Sega, slechts enkele namen van klimmen waarbij een 25 noodzakelijk is. Of EPO. Voor El Mediano is geen van beide nodig, alleen een goede conditie.

De volgende dag stegen de Spaanse klimmers weer flink in mijn aanzien. Als lid van de kopgroep van 6 had ik het loodzwaar om in de omhoog lopende stroken het wiel te houden. Op 40km van het einde lukte dit niet meer en werd ik kansloos gelost, als eerste van de kopgroep. Maar bij het zien van de beelden die avond op TV Avila eigenlijk niet zo vreemd. Ik had de dikste kont van de kopgroep. Met voorsprong. Niemand op de foto. Helaas win je daar geen wielerkoersen mee. Maar het verschil met het Nederlandse amateurpeloton is duidelijk, daar hoor ik lang niet bij de diksten.

Bij deze heb ik mij tot doel gesteld mijn kont flink in omvang te reduceren. Zodat ik in de toekomst hartelijk kan lachen als mij gevraagd wordt of ik een 25 heb. En niet meer uit de kopgroep gelost wordt op de eerste de beste klim. Lossen uit de kopgroep is dodelijk.


NU op Diegoweb!!!

Foto's van Siebe's koersen in Spanje, rechtsstreeks vanuit de buik van het peloton.

KOMT DAT ZIEN, KOMT DAT ZIEN.

Diegoweb in Valladolid




Een oude Peugeot
5 juli 2008

Het begon allemaal met een oude Peugeot. Ik had al een enkele keer op een racefiets gezeten bij vrienden van mij en gelijk vanaf het begin prikkelden de plaatsnaambordjessprints tijdens de toertochten me. Maar nu kreeg ik een echte eigen fiets. Een Peugeot Aubisque, donkergrijs, staal, en oud. Maar in ruil voor het helpen wegbrengen van een oude koelkast van mij. Een vriendin van mijn vader die er zelf niet meer op kon fietsen en het zonde vond om hem ongebruikt in de schuur te laten staan.

Mijn eerste kilometers waren heerlijk. Zo’n 14 jaar oud was ik, en al trots als de teller richting de 40 ging. Wat een vrijheid geeft zo’n fiets!
Mijn eerste koersen reed ik erop en meer en meer ging ik me beseffen dat de gedroomde etappeoverwinning in de Tour de France nog een eind weg was. Maar het fietsen bleef leuk en langzaam ging het koersen steeds beter en werd het ook steeds serieuzer. Er kwam een heuse hartslagmeter op het stuur van mijn fiets en tijdens een bloktraining kreeg dit fatale gevolgen. Een vrouwtje dat net haar rijbewijs had lette niet goed op toen ze uit de berm naar de overkant van de weg draaide. Ik kon haar niet meer ontwijken. BOEM! Spectaculair vloog ik over de motorkap, krabbelde overeind en kwam tot de conclusie dat ik, op een miniscuul wondje op mijn rechterpink na, niets mankeerde. De auto was een ander verhaal, maar de fiets was er het ergst aan toe. Het frame was gebroken bij de liggende achtervork. Niet meer te repareren. Einde oude Peugeot, die me zoveel moois gebracht had.

Kort voor de afgelopen Olympia’s Tour kwam er eindelijk een waardige vervanging. Nadat ik in november mijn rijbewijs heb gehaald werd het nu tijd voor een auto. De keus viel op... een oude Peugeot. Type: 309, kleur: ergens tussen groen en grijs. Wat een vrijheid geeft dat!
Afgelopen maand heb ik voor mijn studie geologie doorgebracht in de Spaanse provincie Albacete, alwaar ik een berg in kaart moest brengen. De oude Peugeot heeft me zonder problemen naar Spanje gebracht en op de in kaart te brengen berg zonder problemen over talloze onverharde wegen dichtbij interessante plaatsen gebracht. Inmiddels ben ik klaar met het onderzoek voor mijn studie. Maar de vrijheid van mijn Peugeot zorgt voor eindeloze mogelijkheden. Niet vastgepind aan een vaste reisdatum ben ik nu nog steeds in Spanje, inmiddels in Valladolid. Van de week heb ik een tijdelijk contract getekend bij een Spaanse ploeg, zodat ik hier ook wedstrijden kan rijden. Morgen is de eerste, een thuiswedstrijd, 135km met start en finish in Valladolid. Ik ben benieuwd, als het goed gaat in de ogen van de ploegleider mag ik komende weken 2 “Vuelta’s”, Spaanse meerdaagsen, rijden. Een mooi avontuur waar mijn oude Peugeot mij naartoe gebracht heeft. Wat een vrijheid!


Olympia's Tour
26 mei 2008

De belangrijkste wedstrijd voor amateurs in Nederland is Olympia’s Tour. In 9 dagen tijd doorkruist deze koers heel ons land op weg naar de traditionele slotetappe door het Limburgse heuvelland. Polders en dijken wisselen elkaar in hoog tempo af. Als er iets meer dan een zuchtje wind staat dan staat dit, in combinatie met een stel op hol geslagen Nederlandse amateurs, garant voor waaiers, gewring, gehark op het kantje, maar bovenal een boel valpartijen. Het bloedspoor door Nederland wordt de wedstrijd wel eens genoemd.
Dit jaar was geen uitzondering. Kon in de proloog iedereen nog zelf bepalen hoeveel risico er genomen werd, vanaf etappe 1 was je overgeleverd aan de stuurmanskunsten en de levensmoeheid van de overige renners. Iedere dag was het raak, meestal meerdere keren.
Zelf had ik dit jaar geluk, ik lag er slechts 1 keer bij en viel zacht in het gras. Meerdere keren kwam ik met de schrik vrij, zoals aan het eind van de Afsluitdijk. Een Spanjaard die naast mij zat reed tegen het achterwiel van zijn ploeggenoot aan en viel mijn kant op. Ik maakte hierdoor een flinke zwieper, maar we bleven allebei ternauwernood recht. Enkele renners die achter me reden hadden minder geluk, met onder hen Swabist Andre van Reek, 40 jaar en de oudste deelnemer dit jaar, viel daar al voor de 2e dag op rij. Iets wat mijn ploeggenoot Joost van den Blink hem later in de koers na zou doen. 2 dagen op rij vallen is niet leuk natuurlijk, maar dat het nog erger kan liet een andere B&E Koopmans-renner zien. Tot 3 keer toe stapte hij hard af. Hij kon telkens wel opnieuw zijn weg vervolgen, maar uiteindelijk was hij toch gezien in de voorlaatste etappe. Hij ging naar huis met de pechprijs op zak, 2 buitenbandjes, een schamele pleister op de vele verwondingen. Peter van Dijk van Swabo kreeg eveneens deze pechprijs, nadat hij letterlijk de grond gekust had. De bandjes die hij kreeg zullen sneller slijten dan de littekens, ben ik bang.

Was het dan niets dan kommer en kwel? Voor mij begon het niet heel leuk, de conditie in het begin was niet super, waardoor ik op mijn eigen trainingswegen als één van de eersten gelost werd in de etappe van Wassenaar naar Wassenaar. Maar dankzij het uitblijven van valpartijen kon ik me in de loop van de week enigszins in vorm fietsen. Dat was te zien in de slotetappe. Toen het peloton in stukken brak zat ik te ver van achteren, waardoor ik in een achtervolgende groep terecht kwam. Hier zaten veel uit de kluiten gewassen waaierrijders in, die een hoop moeite hebben met de Limburgse klimmetjes en toen het tempo in deze groep stil dreigde te vallen besloot ik er met enkele andere renners uit weg te rijden. Wij maakten de oversteek naar de eerste grote groep, maar vlak voor we aansloten reed ik lek. Gelukkig kreeg ik een nieuw wiel van mijn oude ploeg Swabo en met wat hulp keerde ik alsnog terug in de goede groep. Hierin haalde ik de finish, op een 42e plaats.
Na dagenlang in de achterhoede te zijn gefinisht stond ik nu eindelijk een beetje tussen de mensen. Na een moeizame start ben ik in de wedstrijd gegroeid om uiteindelijk een stuk sterker eruit te komen. Helaas kan ik hiervan niet profiteren op korte termijn, want komende week vertrek ik naar Spanje om daar veldwerk te doen voor mijn studie.


Patattenjacht
13 mei 2008

In de wielersport is de term “Chasse Patatte” volledig ingeburgerd, sinds Vlaamse wielercommentator Mark Uytterhoeven het grote publiek er in de jaren '90 kennis mee liet maken. Een mooie naam voor een kansloze onderneming. De precieze betekenis: een uitzichtloze achtervolging van één (of meer) renner(s) over tientallen kilometers. Sommigen vinden zo’n onderneming dapper, anderen vinden het vooral dom, verspilling van energie.

Afgelopen zaterdag reed ik de Ronde van Midden Brabant. 188km verdeeld over 1 grote lus van 148km en 4 omlopen van 10km. Na 20km reed er een kopgroep van 3 man weg. Na 35km was het verschil anderhalve minuut en besloot ik er achteraan te springen, in de hoop iemand mee te krijgen om het gat mee te dichten. Na 36km merkte ik dat ik het in mijn eentje op moest knappen. Na 38km viel het peloton volledig stil. Na 39km besefte ik me dat er geen weg meer terug was. Na 40km hoopte ik dat de koplopers mij op zouden wachten, ik was ze tot binnen een minuut genaderd. Na 41km besefte ik me dat de 3 hardrijders aan de leiding niet van plan waren mij er zomaar bij te laten komen. Na 42km dacht ik “Waar ben ik aan begonnen?” Na 43km begon plots de term Chasse Patatte door mijn hoofd te spoken. Ik was bezig aan zo’n kansloze onderneming. Uiteindelijk heeft het zo’n 25km geduurd, tot ik na 60km op een brede provinciale weg terecht kwam met de wind recht op de kop. Het peloton was weer enigszins op stoom gekomen en ik zakte terug in de luwte van de groep. Met nog 120km voor de wielen kwam ik tot de conclusie dat ik mijn beste kruit verschoten had in een vruchteloze achtervolging op een kopgroep die korte tijd later ook ingerekend werd. Zonde, de benen waren niet slecht.
Toen het korte tijd later op de kant ging kon ik mij goed van voren handhaven, maar daarna was het uit met de pret. Ik zakte steeds verder naar achter en moest zelfs lossen. Ik kwam korte tijd later wel weer terug achter de wagens. Dit lossen en weer terugkomen herhaalde zich een paar keer, totdat er nog veel meer renners moesten lossen en ik in een groepje terecht kwam dat nog wel doorreed, maar waar de gang niet echt meer in zat, iedereen was kapot. Na 158km was onze achterstand te groot en werden wij bij doorkomst aan de finish uit de wedstrijd gehaald.
Het drong tot mij door dat ik nog makkelijk mee had kunnen rijden, misschien zelfs voor de overwinning, als ik niet met mijn stomme kop die Patattenjacht begonnen was. Zeker omdat de kopgroep waar ik achteraan reed net zo goed een kansloze onderneming was.
Hersens heb ik als student genoeg, maar het is hoog tijd dat ik ze in de koers ook ga gebruiken. Dan komen de goede resultaten weer een stuk dichterbij.


Schoenplaatjes en Naaldhakken
29 april 2008

Hele televisieseries worden er over ze gemaakt. De vrouwen van profvoetballers. Om voetbalvrouw te worden moeten ze aan 5 eisen voldoen. Ze moeten mooi zijn, en zorgzaam, en mooi, ze moeten zich volledig wegcijferen voor hun voetballer, maar bovenal moeten ze mooi zijn. In ruil voor dit zware takenpakket krijgen ze wel het nodige terug. Een PC Hoofttrekker, een eindeloze bankrekening om te kunnen shoppen (uiteraard in de PC Hooftstraat), een heel stel vriendinnen die aan dezelfde eisen voldoen (om mee te shoppen in de PC Hooftstraat) en een gezegende jeugd voor hun nageslacht. Tenminste, zolang ze naar behoren blijven voldoen aan de gesteld eisen en dus niet aan de kant geschoven worden.
Dit is niet alleen in ons land het geval, sterker nog, het is in veel andere landen nog een stuk erger. In Spanje en Italïe bijvoorbeeld, waar de vrouwen niet alleen mooier zijn, maar de voetballers ook rijker. Fotomodellen geven er dikwijls hun carriere op voor een bestaan in de schaduw van de voetballer. Hoewel, ze gaan regelmatig mee naar wedstrijden en zitten dan in hun nieuwste modieuze outfit op de VIP-plaatsen van het stadion, waar de cameramensen er steevast voor zorgen dat deze outfits (en natuurlijk wat er in zit) aan een miljoenenpubliek getoond worden.

In Vlaanderen is alles anders. Niet alleen zijn de vrouwen daar nóg mooier dan in de rest van de wereld, de mooiste, liefste en zorgzaamste vrouwen kijken er niet om naar voetballers. Er zijn namelijk sporters die bij onze Zuiderburen in veel hoger aanzien staan. Wij, wielrenners. Voor de start van om het even welke koers in België lopen niet alleen renners, soigneurs, mechaniekers en ploegleiders rond. Het maakt niet uit welke kant je op kijkt, je zult er altijd mooie vrouwen zien, meegekomen met fietsende broers, neven, buurjongens, maar bovenal meegekomen met hun “lief” om hem aan te moedigen en bij te staan. Geheel belangeloos, want rijk worden maar heel weinig renners. Coureurs genieten in Vlaanderen nog het aanzien dat ze verdienen.
Telkens opnieuw vraag ik mij af hoe die Belgen zich toch zo goed kunnen concentreren voor de koers. De afleiding ligt aan alle kanten op de loer en ik heb iedere keer opnieuw de grootste moeite mij op de voorbereiding te richten. Tegelijkertijd is het, zeker bij zonnig weer, een garantie voor een hoge testosteronspiegel. Dat is ook wat waard.

Tijdens de koers wordt het alleen maar erger. De schone Vlaamse jongedames zorgen ervoor dat ze het peloton zo vaak als mogelijk van de kant kunnen bewonderen. Ze staan er hun renner aan te moedigen, hem van drinken te voorzien, maar vooral staan ze er mooi te zijn. Niet alleen voor hun renner, de rest van het peloton mag er net zo goed van meegenieten.
Genoten, dat heb ik! Afgelopen zondag stond de Grote Prijs Affligem op mijn programma. Een prachtige klassieker door het mooie Pajottenland, met gruwelijke hellingen en loodzware kasseienstroken. 156km lang afzien, maar wel afzien met de nodige afleiding langs de kant, ter ere van de eerste warme dag van dit jaar nog in tamelijk schaarse kleding gestoken ook.
Misschien lag het aan de groeiende vorm, of aan het feit dat de zon eindelijk zijn best deed, maar ik denk dat ik de reden dat ik eindelijk goede benen had in een klassieker ergens anders moet zoeken. Donderdag mag ik weer koersen in Vlaanderen. Wat een voorrecht.


Pijnbank
25 april 2008

Een massage op donderdagavond. Het klinkt erg prettig. Als iets om naar uit te kijken, of om jaloers op te zijn. Een massage op donderdagavond, om de afvalstoffen uit de spieren los te maken zodat er in het weekend weer met frisse benen gestart kan worden.

Met de laatste massage nog vers in mijn geheugen verzeker ik U dat er weinig prettigs aan is. Hardhandig wordt er in de tere wielrennersspieren geknepen, met extra aandacht voor de plaatsen waar veel afvalstoffen blijken te zitten. Als deze in grote getale aanwezig zijn blijven er zelfs blauwe plekken over als bewijs van de massage. De massagetafel doet dikwijls dienst als martelwerktuig, als pijnbank.
Maar er teveel over klagen heeft weinig zin. Prettig is het niet, maar het effect is grandioos. Zaterdag start ik met frisse benen in de PWZ Zuidenveld Tour. Dat is de pijn op donderdag meer dan waard.


Stof en stenen
17 april 2008

Zondag is Parijs-Roubaix verreden. De Hel van het Noorden. De stevigste renners komen aan het eind van deze 250km lange helletocht vanzelf bovendrijven. De hemelsluizen bleven dicht, dus het was voor de renners stofhappen geblazen. Voorrijwagens, ploegleiderswagens, fotograven op de motor, neutrale materiaalmotoren en de renners zelf zorgden voor grote opwaaiende stofwolken, met stof uit de wegberm en van tussen de stenen. In combinatie met de olie op de benen en het zweet op de gezichten zorgt dit stof voor hele vieze wielrenners. Het enige verschil met Sints hulpje, Zwarte Piet, die zijn kleur verkreeg tijdens het kruipen door nauwe schoorstenen, is dat deze vuiligheid er onder de douche weer af gaat.

Zelf reed ik zondag de Friesche Wouden Klassieker. Eveneens in het Noorden, eveneens met stenen en eveneens met stof. Maar in alle opzichten minder heroïsch. De afstand is korter, de stenen zijn kleiner, de stenen liggen mooier recht, de gaten tussen de stenen zijn kleiner en de namen zijn minder legendarisch. Geen Bos van Wallers, of Carrefour de l’Arbre, maar Tillewei en Kerklaan.
Helaas waren de benen ook minder dan die van Tom Boonen, Fabian Cancellara en Alessandro Ballan, de kopgroep in Frankrijk. Ik was niet de hele wedstrijd in staat het peloton te volgen en kwam hierdoor tussen de wagens terecht. Mijn zweet en de olie op mijn benen vermengden zich met het stof waardoorheen ik mij een weg moest banen. Aan de finish was ik vies, kapot en blij dat het over was. Ik waande me een renner uit Parijs-Roubaix.

Eenmaal aangekomen in de kleedkamer besefte ik me dat ik nog gewoon in Friesland was, in een gewone sporthal in Burgum, en niet in de heroïsche douchehokjes in het Velodrome de Roubaix.

Opmerkelijk hoe een mooie wedstrijd waarin de benen niet bijzonder zijn plots in een niet erg bijzondere wedstrijd kan veranderen.


Zon
10 april 2008

Ik werk op zonne-energie. Dat betekent niet dat ik rondloop met een paar zonnepanelen verstopt tussen de haren op mijn hoofd, maar mijn lichaam lijkt wel te werken als een zonnepaneel. Als de zon begint te schijnen absorbeert mijn huid de energie en warmte, alles gaat plots een stuk makkelijker. De zon kan me niet lang en fel genoeg schijnen, hoe meer hoe beter. Niet voor niets won ik vorig jaar Oostzaan toen het meer dan 30 graden was.
Reikhalzend keek ik afgelopen weken uit naar het eind van de koude, bewolkte en vooral neerslagtige periode. Want als de lente echt aanbreekt verdwijnen plots kwaaltjes, zoals de chronische winterverkoudheid, als sneeuw voor de zon. Urenlange trainingen zijn niet vermoeiend meer, maar wakkeren de wil om te fietsen alleen maar meer aan. Bovendien, en dat is misschien wel het mooist van alles, gaan de prestaties plots met sprongen vooruit. Afgelopen zondag zat ik in de kopgroep in Oploo. Geen wonder eigenlijk, de zon deed eindelijk zijn best. Dat het nog wel vrij koud was verklaart misschien dat ik 5e van de 5 werd in de sprint.

Trainingskampen op Mallorca, en in andere verre zuiderlijke oorden, zijn aan mij wel besteed. Het is er doorgaans stukken warmer en zonniger dan bij ons in Nederland in februari. Je kan er zelfs trainen in korte broek, iets wat hier nog altijd niet kan, 2 maanden later. Moeiteloos rijg je trainingen aan elkaar van 5 uur en meer. Honderden kilometers trap je weg alsof het niets kost.
Bij terugkeer word je dan plots wel met een probleem geconfronteerd. Vol goede moed begin je nog wel aan vergelijkbare trainingen, maar algauw merk je dat je hiermee vooral een longontsteking in de hand werkt, en niet je conditie. Dus is het behelpen tot de lente aanbreekt.

Eindelijk lijkt het zover! Het is nog wat koud, maar de zon schijnt onafgebroken. De trainingsarbeid schroef ik weer flink op en de glimlach is tijdens die uren niet van mijn gezicht af te krijgen. Bijkomend voordeel is dat mijn hersens hun werk plots tot betere oplossingen komen. Tegelijk met de omwentelingen die mijn benen malen, maalt er 1 gedachte telkens opnieuw door mijn hoofd.

De tijd breekt stilaan aan dat ik mijn heil ga zoeken in een warm, zonnig land.


Onderweg
2 april 2008

Als wielrenner ben je veel op de weg. Natuurlijk tijdens trainingen en wedstrijden, op de fiets, maar misschien nog wel meer onderweg van en naar wedstrijden. Afgelopen zondag stond er een koers in de Duitse Eifel op het programma, Koln-Schuld-Frechen. 200km fietsen over Duitse wegen in een mooie omgeving.
Het rijden in verschillende landen zorgt ervoor dat het taalgevoel van wielrenners goed ontwikkeld is. Dit laten sommige renners graag merken. Zo noemde een renner van het Kontinental Team van Milram mij “Pannekoek” tijdens één van mijn moeizame momenten, op de beklimming van de WeiSSenstein. Nou ja, eigenlijk Pannekuch, blijkbaar was zijn Nederlands nog niet zo vloeiend. In zuiver Duits noemde ik hem daarop “Pferdenschwanz”. Van het lachen kwam hij even in ademnood, waardoor ook hij enige moeizame momenten tegemoet ging.
Ondanks deze moeizame momenten wist hij uiteindelijk wél bij de groep te blijven, terwijl ik toch echt moest passen. De laatste 80km heb ik alleen voor mijn rekening moeten nemen, maar na het moeizame moment te hebben overwonnen kwam er weer een behoorlijke gang in. Weliswaar zag ik als ik achterom keek de bezemwagen, die is daar tot de finish gebleven.

Als je in de auto zit, onderweg naar een koers, zie je soms hilarische dingen. Gelukkig zorgt een lachstuip dan niet voor een risico gelost te worden, anders had ik op de Belgische N8 al meermaals geparkeerd gestaan. In de omgeving van Ninove zijn vele mooie koersen. De Ronde van Vlaanderen finisht er, om maar direct de mooiste te noemen. Afgelopen maandag was er een omloop in deelgemeente Outer. De kortste weg naar deze regio is via de N8, vanaf de ring van Brussel naar Ninove. Zoals overal in België hangen er langs de wegen grote reclameborden, op huizen en cafe’s, op plaatsen waar ze goed in het oog springen. Dit lukt niet altijd even goed, maar aan de N8 hangt een bord dat niet te missen is. “Firma Neukermans”. Het is maar goed dat dit bord een eind voor Ninove hangt, anders zou ik tegen de tijd dat de start gegeven werd nog altijd de slappe lach hebben gehad.
Dat was nu niet het geval, wat een goed resultaat overigens niet verzekerde. Zoals zo vaak in België was er geen touw aan het koersverloop vast te knopen, en zoals zo vaak in België ben ik er maar lekker ingevlogen in de hoop in een juiste ontsnapping terecht te komen. Ondanks mijn 30 aanvallen is dit niet gelukt, maar de vorm wordt steeds beter. Nog even geduld en ik kan weer meer geluk afdwingen. Zodat ik onderweg naar huis weer kan nagenieten van een goed resultaat.


Omslagen
25 maart 2008

Het voorbije paasweekend was een speciaal weekend. Waar het al jaren geleden is dat we van een witte kerst mochten genieten, kwam de sneeuw nu met Pasen plots met bakken uit de hemel. Vrijdag begon de lente, maar aan het weer is op dat punt nog weinig te merken. Het sloeg juist vrijdag om naar winterweer.

Nog een omslag voltrok zich afgelopen weekeinde. Waar afgelopen weken niets lukte, lukte zondag in de Ronde van de Leur plots alles. Na in het begin al enthousiast (lees: dom) enige malen ten aanval te zijn getrokken, op een door wat sneeuwvlokjes koud en nat parcours, was het na een kwart van de koers plots wel raak. Met drie man reden we weg, waarna er nog twee renners aan kwamen sluiten. Toen Rudy Vriend halverwege de wedstrijd nog even die kopgroep uit elkaar ranselde bleven we met 3 man over. “Als we nu doorrijden staan we allemaal op het podium” was Vriends uitleg voor zijn wat vreemde actie. Geen speld tussen te krijgen.
Het verdere verloop van de koers was niet zo enorm spannend. De premiebel werd een aantal malen geluid, de samenwerking was goed en toen op het laatst een groep achtervolgers steeds dichterbij kwam gaven we nog even gas zodat we inderdaad met zijn drieën op het podium terecht zouden komen.
Helaas had ik geen antwoord op de versnelling van Rudy Vriend, zodat de 2e plaats mij restte. Maar bij het zien van de rondemissen had ik daar plots weinig spijt meer van. Het meisje dat mij zoende was, zoals het hoort, een beloning. De eerste en de derde keken een beetje beteuterd, alsof ze graag met mij hadden willen ruilen. Een typisch geval van een rondemiss waarvoor sommige renners besluiten voor hooguit een 4e plaats te rijden.

Niet alleen was deze koers een flinke opsteker voor mijn moraal, het zorgde er bovendien voor dat ik mijn ouders weer onder ogen durfde te komen. 25 jaar geleden zijn zij getrouwd, en waar mijn zusjes allemaal aan een kadootje gedacht hadden, was ik dit stomweg vergeten. Maar bloemen zijn in zo’n geval altijd leuk om weg te geven, dus mijn eerste podiumplaats van dit seizoen had ik nauwelijks beter kunnen plannen.
Nu maar hopen dat mijn vorm niet afhangt van het winterse karakter van het weer, want een omslag naar lenteweer zie ik eerlijk gezegd wel zitten.


Slecht
19 maart 2008

Het heeft geen zin het mooier te maken dan het is. Afgelopen zondag ging het bar slecht. Na ongeveer een kwartier wedstrijd werd ik ordinair uit de wielen gereden. De Omloop van het Waasland, die zowat 200km had moeten duren was voor mij niet eens 20km lang. Een deceptie. Mijn mondhoeken wezen de rest van de dag strak naar beneden. Zo had ik mij het begin van het seizoen niet voorgesteld. Zelfs niet in mijn ergste nachtmerries.
Om er toch nog maar een positieve draai aan te geven, het kan moeilijk slechter! Zondag nieuwe ronden, nieuwe kansen. De Ronde van de Leur. Dat het maar een omslagpunt mag zijn na mijn belabberde seizoenstart.


Monumenten
10 maart 2008

Afgelopen zaterdag stond de Vlaamse Pijl op mijn programma. Een bijzondere koers, met een parcours dat over enkele monumenten uit de wielersport gaat. De Oude Kwaremont en de Patersberg, die de profs tijdens de Ronde van Vlaanderen voor de wielen krijgen, lagen voor ons ook klaar. 2 steile ondingen waarvan het wegdek bestaat uit kasseien. Tijdens een training was ik bij beide eens naar boven gereden, in een koers nog nooit.
Deze hellingen waren niet de enige overeenkomst tussen Ronde van Vlaanderen en Vlaamse Pijl. Het peloton was net zo zenuwachtig, wat weer zorgde voor de gebruikelijke valpartijen. De eerste al voor we de straten van Harelbeke verlaten hadden, nog wel op de 3e rij van het peloton. Maar hiervan leren zat er niet in, tussen de Cote de Trieu en de Oude Kwaremont gingen er nog eens tientallen renners tegen de vlakte. De heuvels zorgden voor een flinke schifting, maar de valpartijen deden net zo goed een duit in het zakje.
Mij zijn harde aanrakingen met het asfalt bespaard gebleven. Wel stond er op de Patersberg plots een parkeermeter voor me klaar. Ik had geen kleingeld in mijn achterzakje, dus ben ik maar zo goed en kwaad als het ging verder gefietst. Ergens halverwege het uiteengeslagen veld vond ik mijzelf terug. Geen slechte uitgangspositie, met nog meerdere heuvels te gaan om mij verder naar voren te vechten. Helaas stond de parkeermeter nog een aantal keer klaar, zodat ik uiteindelijk moederziel alleen uit de (op dat moment) laatste groep in koers gelost werd. Zelfs de bezemwagen hield geen rekening meer met me. In een rookwolk uit de uitlaat van dit voertuig vond ik zo goed en kwaad als het ging mijn weg terug richting Harelbeke. Mijn kennismaking met enkele monumenten uit de Ronde van Vlaanderen was er niet een om te onthouden, maar smaakte stiekem toch naar meer. Ik kom hier zeker terug!


Afstelling
4 maart 2008

Een klassieker duurt doorgaans meer dan 150 km, oftewel 150.000 m. Per pedaalomwenteling leg je (afhankelijk van je verzet) tussen de 5 en 10m af. Tijdens een wedstrijd wentelen je benen dus al gauw zo’n 20.000 maal rond. Je zet zo’n 20.000 maal kracht met je spieren. Geen wonder dus dat je last krijgt als de afstelling van je fiets niet goed is.
Afgelopen zaterdag kreeg ik voor de start van de Beverbeek Classic mijn nieuwe fiets. Mijn oude fiets was gescheurd dus daarop kon ik niet verder rijden. Helaas was de afstelling van de nieuwe fiets nog niet in orde. Tijdens de wedstrijd heb ik mijn zadel hoger laten zetten, terwijl ik doodsangsten uitstond omdat ik met een gangetje van 50 km/u aan de auto hing, toen de mechanieker hiermee bezig was. Het mocht niet baten, ik kwam in een verkeerde groep terecht en kreeg later nog eens last van mijn rug erbovenop. Einde koers.
Zondag nog wat aan mijn houding veranderd. Het mocht opnieuw niet baten. In een loodzware uitgave van de Omloop van de Houtse Linies moest ik in de remmen knijpen omdat mijn knie tekenen van opkomende overbelasting begon te vertonen.

Hevig balend sloot ik hiermee mijn openingsweekend af. Natuurlijk had ik mij, net als de rest van het peloton, voorgenomen om glorieus te zegevieren. Dat is duidelijk niet gelukt. Gelukkig duurt het seizoen nog lang en komen er nog voldoende kansen. Eerst maar eens zorgen dat mijn nieuwe fiets tot op de halve mm nauwkeurig afgesteld staat.


Openingsklassieker
28 februari 2008

Sinds de finish van de Ronde van Lombardije kijkt men er in Vlaanderen alweer naar uit, Omloop Het Volk. De officiële opening van het wielerseizoen. Vele Vlamingen lopen al weken met zenuwen in het lijf, een niesbui van Tom Boonen is belangrijker nieuws dan presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten en als Philippe Gilbert zaterdag een hele rits buitenlanders klopt blijken de verschillen tussen Vlamingen en Walen plots een stuk minder groot.

Op lager nivo zijn er net zo goed openingskoersen. Iedere amateurwielrenner denkt voor elk nieuwe seizoen dat dít hun jaar gaat worden, dat hij de nieuwe Lance Armstrong of Oscar Freire is. Of nog beter, de nieuwe Eddy Merckx. Gevolg hiervan is dat alle wielrenners met een over-mijn-lijk-mentaliteit aan de start van de openingsklassieker staan. Dit zorgt voor een verschrikkelijk zenuwachtige koers waarbij vele dromen letterlijk kapot vallen. In Nederland, waar men toch al de neiging heeft erg zenuwachtig te koersen, vallen gelijktijdig diverse fietsen en botten kapot. Het schoolvoorbeeld hiervan is de Ster van Zwolle, die komende zaterdag wordt verreden. Vaak worden al tijdens de neutralisatie de eerste renners naar het ziekenhuis afgevoerd. De slag valt bij een valpartij en om te kunnen winnen moet je heel hard kunnen fietsen, maar tegelijkertijd een heuse acrobaat zijn.
Voor mij geen Ster van Zwolle, dit jaar. Wel twee openingsklassiekers. Zaterdag de Beverbeek Classic in België, zondag de Omloop van de Houtse Linies in het Brabantse Den Hout. Twee koersen ten zuiden van de rivieren. Hopelijk gaat het daar wat gemoedelijker. Een goed begin is het halve werk, dus als ik dit weekend recht weet te blijven moet dat de rest van het seizoen ook niet zo’n probleem meer zijn.


Voetbal
25 februari 2008

Het leven van een wielrenner gaat niet altijd over rozen. Na weer een tuimelpartij op het harde Mallorcaanse asfalt krabbel ik op. Met wat huid van mijn linkerknie blijft een flinke dosis moraal achter op de ondergrond. Knap stom, vallen zo vlak voor het nieuwe seizoen.

's Avonds zit ik mijn wonden te likken voor de tv. Dit keer is er voor de verandering geen slap geouwehoer over voetbal te zien. Wel voetbal zelf, uit één of andere Mickey Mouse competitie. De linkshalf maakt een passeerbeweging, gaat een man voorbij, en vindt nog een tegenstander op zijn weg. Deze steekt zijn been uit waarna de linkshalf doet alsof hij geraakt is en zich ter aarde stort. Hij rolt vijf keer door op het zachte groene gras, angstvallig zijn hoofd beschermend. Het zou immers zonde zijn als een kapsel waaraan die ochtend drie kwartier besteed is door de war gaat. Eenmaal uitgerold begint de linkshalf uit volle borst om zijn moeder te roepen, waarbij hij de reactie van de scheids uit zijn ooghoeken volgt. Deze trekt een gele kaart voor de verdediger en geeft een vrije trap. Plots heeft de linkshalf zijn moeder niet meer nodig en staat hij op, waarna hij zich trekkebenend richting doel van de tegenstander begeeft. De vrije trap wordt genomen en de linkshalf zet zich met een vliegensvlugge beweging vrij voor open doel en schiet de bal huizenhoog over. De linkshalf is nog te lui om een bal tegen de netten te werken, hoewel dat uiteindelijk is waarvoor hij een belachelijk hoog salaris krijgt. Met een knipoog richting de tegenstander die zojuist geel kreeg slentert de linkshalf terug naar zijn linkerflank.

Terwijl ik mijn ogen van het beeldscherm afwend vraag ik mij af wat ik eens zal gaan doen. Zal ik mijn moeder laten weten dat ik gevallen ben? Nee, dat komt wel weer als ik thuis ben van mijn trainingskamp op Mallorca. Ik kan haar reactie wel inschatten. "Is dat wielrennen nou echt wel zo'n leuke sport voor jou? Had je niet gewoon op voetbal kunnen blijven? Die jongens vallen tenminste niet zo hard..."
Ik open een flesje bier, met de pijnstillende werking van alcohol in mijn achterhoofd en kijk terug naar de televisie. Weer ligt er een voetballer te kermen op de grond, zonder dat zijn haren ook maar een klein beetje gekrenkt zijn.


Bijsmaak
11 februari 2008

Het is weer de tijd van Valentijn. Het heeft iets weg van Kerst, plots luistert iedereen zonder morren de afgezaagde liedjes die de radio-dj hen voorschotelt. Romantiek (of moet ik zeggen "Romantiek"?) is overal aanwezig, etalages liggen vol prullaria die in de verste verte misschien met de liefde geassocieerd kan worden. Het stadsbeeld wordt bepaald door gigantische hoeveelheden nutteloze hartvormige voorwerpen, bloemen en chocola, stuk voor stuk in verschillende tinten roze, en dat alles uit de koker van marketinggoeroes.

Sinds 2004 heeft Valentijnsdag voor mij een bittere bijsmaak. Dat heeft niets te maken met het feit dat ik vrijgezel ben. Het komt door het overlijden van een klein mannetje met een kale kop en flaporen.
Marco Pantani, één van de grote klimmers van de jaren ’90. Een olifantje met een gevleugelde stijl, een man die altijd aanviel als de weg omhoog liep. Met zijn karakteristieke kale kop, jarenlang één van de boegbeelden van het Italiaanse wielrennen. Maar een klimmer. Een klimmer die zoals alle klimmers veelvuldig voor leven in de brouwerij zorgt. Maar ook een klimmer die ruimte nodig heeft. Ruimte om te kunnen aanvallen, zijn hart te volgen in plaats van zijn verstand, zowel op de fiets als daarnaast.
Aan het begin van zijn carrière ging dat prima, in de schaduw van “il Diablo” Claudio Chiappucci, kopman van de Carrera-ploeg en eveneens klimmer. Pantani kon aanvallen, winnen, en groeien. Groeien tot de Pantani die zowel de Giro d’Italia als de Tour de France won in 1998.
In 1999 begon de omslag in zijn carrière, in zijn leven. Op de voorlaatste dag van de Giro d’Italia, met de eindoverwinning eigenlijk al op zak, werd in zijn bloed een te hoog hematocriet gemeten, een waarde die duidt op mogelijk EPO-gebruik. Pantani werd uit koers genomen. Nu was hij niet alleen maar een held, maar plots ook een martelaar. Hij was immers niet de enige die de pot met verboden snoepgoed niet kon laten staan, de tegenstand deed dit net zo goed! Nog populairder maakte dit hem bij de Italiaanse Tifosi, en daardoor ook bij de papparazzi. Als hij een scheet liet was het al nieuws. De ruimte die hij nodig had om te kunnen aan te vallen, om te leven, zijn hart te volgen, was er niet meer.

De prestaties van de Piraat zijn nooit meer op het oude nivo gekomen. Af en toe was er nog eens een ritzege. Mooi natuurlijk, maar slechts een schrale troost als je niet meer mee kunt strijden in het gevecht om de eindoverwinning.
De aftakeling was begonnen. Auto’s werden in de prak gereden, drugs deden hun intrede en alles wat Pantani deed werd breed uitgemeten door de pers. Afkickklinieken bleken niet in staat “il Pirata” van de drugs af te helpen.

Uiteindelijk zorgde deze verslaving ervoor dat het Olifantje zijn vleugels nooit meer uit zou slaan. Een overdosis cocaïne werd hem op 14 februari 2004 fataal. Op Valentijnsdag, de dag van de geliefden. Marco Pantani stierf zoals hij geleefd heeft. Legendarisch.


Trainingskoersen
9 februari 2008

Van half januari tot eind februari is de periode van de trainingskoersen. Kort voor het echt grote geweld losbarst rijden renners zich op alle nivo’s in vorm, of testen ze hoe het met die vorm gesteld is. Vorm die nodig is voor een goed resultaat in de Ronde van Noord-West Overijssel, de Ster van Zwolle of Omloop Het Volk, oftewel voor de traditionele openingskoersen die het begin van het échte wielerseizoen inluiden.
Dergelijke trainingskoersen zijn er in alle soorten en maten. In Nederland worden ze verreden op clubrondjes, industrieterreinen en zelfs op de openbare weg. Renners die er winnen zijn vaak renners die je de rest van het seizoen niet veel meer vooraan in de uitslag tegenkomt. De koningen van de trainingskoersen, mannen die in de koude wintermaanden volle bak trainen, in januari in topvorm zijn en als in maart de echte koersen beginnen opgebrand zijn. Dan maken de grote mannen de dienst uit. Mannen die weten dat er geen eer te behalen valt in februari. De eerste pannekoeken zijn immers voor de kinderen!

De profs hebben eenzelfde circuit van trainingskoersen. In warme gebieden, waar zonneschijn verzekerd is, werken ze aan hun conditie. En aan hun tint. “De Ronde van de Middellandse Zee,” “Ruta del Sol,” de namen van de koersen zeggen vaak al genoeg… Er zijn zelfs meerdaagse wedstrijden waarin je op dag 2 de finish niet hoeft te halen om op dag 3 weer te mogen starten.
Sinds enkele jaren is er een nieuwe wedstrijd bijgekomen, eind januari. De Ronde van Qatar. Qatar bestaat voor 90% uit zand. Niet echt heel aanlokkelijk, koersen over kilometerslange kaarsrechte wegen door de woestijn en dat alles onder een fel brandende zon De enige bron van verkoeling is een vervelende wind die ervoor zorgt dat je constant op moet letten niet op het kantje terecht te komen. Uitermate geschikt om je moraal te verliezen, lang voordat het seizoen begint.
Toch reizen er ieder jaar vele profploegen met een team vol goede renners af naar dit oliestaatje. Er valt immers flink te verdienen, hoge startgelden en nog hogere prijzengelden. Waar een berg geld is, is een weg.

En ik? Ik heb vandaag op Ahoy gefietst. Resultaat: 8e. De envelop die ik kreeg voor deze 8e plaats bevat €2,-. Heb ik toch maar mooi mijn inschrijfgeld terugverdiend.


Waarvoor dan?
4 februari 2008

Waarvoor dan? Zijn er niet al genoeg site's van wielrenners? Voegt het nog wel iets toe? Is het geen tijdverspilling? Denk je nou écht dat er meer mensen je stukjes komen lezen dan alleen je ouders? Vragen die gesteld worden als je laat weten dat je bezig bent een website te bouwen.
Om eerlijk te zijn, het antwoord weet ik niet! Maar niet geschoten is altijd mis. Wat ik wel weet is dat ik zelf altijd met veel plezier de stukjes van Thijs Zonneveld las. Stukjes over wielrennen, maar met net een andere inslag dan het gemiddelde wedstrijdverslag. Wat ik ook weet is dat Thijs Zonneveld inmiddels zijn wielercarrière heeft beëindigd, en dat zijn website gelijktijdig ter ziele is gegaan. Tegenwoordig verdient hij zijn geld met het schrijven van verhalen, columns en sportverslagen in nationale dagbladen...
Nu ga ik het eens zelf proberen. Zien of mijn stukjes ook met veel plezier gelezen worden, en natuurlijk veel plezier beleven aan het schrijven ervan. Mijn belevenissen tussen de wielen, in het peloton, zijn hopelijk herkenbaar voor diegenen die zelf wielrennen en vermakelijk voor buitenstaanders. Op stukjes tekst van mijn hand krijg ik regelmatig commentaar. Positief commentaar, dat het leuk is om te lezen. Dit commentaar krijg ik niet alleen van mijn ouders, regelmatig is ook één van mijn zussen er erg over te spreken.
Of mijn website werkelijk iets toevoegt, en dus geen tijdverspilling is, de tijd zal het leren! Vooralsnog is een (al eerder op de SwABo-website gepubliceerd) dagboek van mijn eerste meerdaagse, "Paths of King Nikola" in Montenegro in 2007, het enige dat ik u voor kan schotelen. Een flinke lap tekst. Veel leesplezier en tot ziens op een iets uitgebreidere website.